Folklore en Feiten: Toen de Gummi Nog Koning Was
Er wordt nog wel eens gezegd: vroeger was alles beter. Vooral in gezelschap van oudere melkers klinkt die zin als een soort refrein. Maar eerlijk is eerlijk: beter was het niet per se — anders wel. Heel anders zelfs.
Neem alleen al het idee dat we weer met gummiringen zouden moeten werken. Het heeft iets romantisch, dat gebeuk op de klok, maar stel je de massahokken van nu eens voor. Tien duiven tegelijk op de klep, melkers in paniek, en van een afstandje een sneeuwstorm van veren door de lucht. Het zou een komisch gezicht zijn.
En dan die duiven die wekelijks “tijd verspeelden” met binnenkomen. Melkers die dat trots vertelden, beseften vaak niet dat ze eigenlijk toegaven dat ze het vak van echte duivenmelker nog niet helemaal beheersten. Want wie het kunstje wél in de vingers had, hoefde nooit uit te leggen waarom een duif aarzelde op de klep.
Meesters van het Binnenlopen
Er waren vroeger mannen die je les konden geven in dat vak. Frans van Dalen en Jan Los bijvoorbeeld. Dat waren geen melkers, dat waren vaklui. Frans was op de korte voorvluchtjes bijna onklopbaar. Maar zodra er duizenden duiven in concours stonden, zakte hij weg in de uitslag. Zijn duiven moesten als het ware thuisgebracht worden in de klad — en dat kon hij als geen ander.
Zijn hok stond op een binnenplaatsje van vijf bij vijf meter, omringd door hoge huizen. Duiven die van een vlucht kwamen, moesten letterlijk loodrecht naar beneden vallen om binnen te komen. Ik heb het gezien. Ze stortten zich naar beneden alsof ze in vrije val gingen. Dan begrijp je meteen waarom hij zo moeilijk te kloppen was.
Jan Los was weer een ander verhaal. Op de gewone vluchten bakte hij er weinig van, maar op St. Vincent en Bergerac — toen nog de enige twee overnachtvluchten — was hij altijd één van de mannen om rekening mee te houden. Het laat zien hoe divers de sport toen al was: ieder zijn specialiteit, ieder zijn systeem.
De Voorvluchtjes van Dordrecht
In Dordrecht werden vroeger de beroemde voorvluchtjes georganiseerd. Kleine vluchtjes van 30 tot 45 kilometer, meestal vanuit Roosendaal, Tilburg of Bergen op Zoom. Het eerste vluchtje was altijd op de eerste zondag van maart.
- Inkorven van 08.00 tot 09.00
- Direct doorrijden
- Lossen op de afgesproken tijd, ijs en weder dienende
- 100 tot 200 duiven
- En er werd stevig op gegokt
Bij redelijk weer kwamen die duiven aan blok naar huis. Dan ging het niet om vliegen, maar om supersnel binnenlopen. En precies daarin blonken Frans en Jan uit. Ze beheersten soms de hele uitslag.
Op Eigen Hok Deze Week
En dan terug naar het heden, waar folklore plaatsmaakt voor feiten.
Het was deze week zoals alle weken ervoor:
- De duivinnen trainen vanzelf een uur.
- De doffers wandelen drie kwartier rond het hok en doen verder niets wat op trainen lijkt.
Zelfde hok, zelfde voer, zelfde verzorging — maar totaal ander gedrag. Dit is inmiddels het derde jaar op rij dat de doffers geen meter trainen. Het blijft een raadsel.
De resultaten zijn er ook naar. Naar Pont St. Maxence gingen 12 doffers en 32 duivinnen mee.
- De 10e duif was de eerste doffer
- De 18e duif de tweede
- Maar toch: 9 van de 12 doffers op de uitslag — degelijk genoeg
De vlucht zelf was er één om van te genieten. Met een kalm oost-noordoosten windje maakten de eerste duiven rond de 1250 mpm. Op dit soort vluchten hebben duiven die voorop komen op mijn hok altijd een streepje voor. Het is een mooi selectiecriterium.
In de club stonden 1049 duiven in concours. Wij hadden 44 duiven mee en wonnen 34 prijzen.
Met onder andere: 7e – 11e – 17e – 19e – 22e – 25e – 32e, enzovoort.
En dat met een ploeg die bijna volledig uit jaarlingen bestaat. Er zijn maar vier overjarige duiven overgebleven. Dan kun je maar één conclusie trekken: tot nu toe verloopt het seizoen voorbeeldig.
Niks te klagen.